Een r.k. kerkelijke uitvaart na euthanasie?

Een kwetsbaar onderwerp. Heel kwetsbaar. Verschillende keren heeft er in een krant een bericht gestaan dat een pastoor een uitvaart weigerde voor iemand die overleed na euthanasie.
Ik citeer uit de Handreiking van de Nederlandse r.-k. bisschoppen ‘Pastoraat rond het verzoek om euthanasie of hulp bij suïcide’ (2005): ‘De bisschoppen willen de geloofsovertuiging, dat euthanasie geen goede weg voor mensen is behoeden. Daarmee is onverenigbaar, dat katholieken die daar innerlijk vrij voor kiezen, een kerkelijke uitvaart krijgen. Het is onsamenhangend tegelijk als kerk tegen euthanasie te zijn en een katholiek, die zo stierf, vanuit de kerk te begraven. Dat kan ergernis geven, omdat de uitvaart de indruk kan wekken, dat de kerk het met euthanasie eens is.’ Tot zover dit citaat.

Zoals gezegd – een groot probleem, zeker ook emotioneel, omdat  euthanasie in het algemeen genomen geaccepteerd is, mits uiteraard toegepast met alle zorgvuldigheid en respect die daarbij horen.

Het verhaal dat in een situatie als deze het meeste indruk op me maakte is het volgende:
In A. was een nog jonge vrouw van achter in de vijftig overleden. Het eerste wat de familie meedeelde was dat een uitvaart in de kerk waar ze ieder weekend heel trouw kwamen, niet ging. Waarom niet? Ze vertelden: ‘Mama was al heel lang ziek, en ze bleek veel zieker te zijn dan iedereen had gedacht. Maar ze was gewoon taai, ging door, klaagde nooit.  En toen, zomaar, zat de kanker door haar hele lichaam – niet alleen in haar hoofd, maar ook in de longen, de lever en de botten. Je zag aan haar gezicht dat ze heel veel pijn had. Maar aan die pijn konden ze bijna niets te doen. De dokter was een goeie, die heeft van alles geprobeerd, maar het hielp niet. Toen kon mama niet meer. Maar haar hart was veel te sterk. Ik denk dat mijn hart er al lang mee was opgehouden. Mama wilde zo graag gaan, ‘naar de overkant,’ zoals ze zelf zei. Naar de anderen die haar daar zeker zouden opwachten. Ze was moe, doodmoe. Ze kon niet meer, en dat kan ik wel tien keer achter elkaar zeggen, zo erg was het. We hebben er samen over gepraat, met elkaar en met de dokter. En er kwam nog een dokter bij. Die begreep het ook. Hij zag het ook. Toen hebben we een datum afgesproken dat mama mocht gaan. Het duurde nog wel even, maar het was goed. Mama werd er rustiger van, en wij werden rustiger omdat zij rustiger was. Maar het was wel raar om te weten wanneer het einde zou zijn, om dan echt afscheid te nemen.  Maar we vonden het goed voor mama, en dan was het ook goed voor ons. En we hebben elkaar nog veel verhalen verteld, zo van: ’Weet je nog?’  En we toen ook nog wel gelachen.’

Nadat de datum van het overlijden was bepaald, voor in het geval dat de natuur nog niet zelf had ingegrepen,  gingen ze naar de pastoor. Ze vertelden dat mama nu wel heel erg ziek was en niet meer kon, en dat ze op die datum mocht sterven. Zou de pastoor haar de ziekenzalving willen geven? Nee, dat wilde hij niet. Want euthanasie mocht van de kerk niet, en daar kon hij niets aan veranderen.

Ze vertelden verder: ‘Nadat mama was overleden zijn we weer naar de pastoor gegaan, en we vroegen of mama in de kerk mocht komen en of de pastoor dan de mis voor haar wilde doen. Maar dat wilde hij niet. En nou zijn we heel moe en nog verdrietiger dan eerst.’  De tranen sprongen me in de ogen, en geloof me, dat gebeurt niet gauw. We waren stil, allemaal.

‘Wilt u mijn vrouw zien?’ vroeg hij mij. ‘Graag, als dat mag.’ Hij ging me voor naar de kamer waar zijn vrouw lag opgebaard en verontschuldigde zich omdat het er nog zo kaal was, want de bloemen waren er nog niet – ‘Die zijn wel besteld, ze komen morgen.’ Voor mij ging er een enorme rust van haar uit. Het was goed zo.

We gingen terug naar de huiskamer.
‘We redden het wel zonder pastoor,’ gaf ik aan. ‘Laten we maar eens verhalen gaan vertellen.’
Natuurlijk hebben we voor mama gebeden, en we hebben haar met zijn allen gezegend. Het was goed.

Advertenties

Een kerkelijke uitvaart?

Ooit werd ik gevraagd een uitvaart te verzorgen namens een kerk, en wel die kerk waar ik vroeger zelf jarenlang actief bij betrokken was. Omdat ik ‘het niet meer trok’ nam ik daar afscheid. Dan nu toch die vraag…….  Maar na enig denken heb ik gemeend dat niet te moeten doen. Het was een kerk waarin vorm en taal steeds meer vastgelegd waren. Ik kan daar niet mee uit de voeten; heb wat vrijheid nodig om datgene wat nabestaanden bezighoudt samen met hen onder woorden te brengen. En hier was die vrijheid er niet. Ik heb dat de betreffende kerk in een gemotiveerde brief laten weten. Via via kwam een reactie: de vrijwilligers vonden het jammer dat ik het niet deed, de pastoor vond het juist goed.

Er was nog eens iets: In X  gaan de pastores niet mee naar het crematorium. Iemand die daar bekend was zei (dat werd me later verteld): ‘Dat is wel iets voor Corrie. Die kan dat wel.’ Maar ik heb er direct voor bedankt. Ik wil geen mensen op zo’n manier tegen elkaar uitspelen. Een ander zei: ‘Misschien kun je op die manier enkele veranderingen  bewerken.’ Nee, daar geloof ik niet in. Op het moment is de situatie zo dat mensen die proberen een verandering tot stand te brengen weggestuurd worden. Ik heb geen zin in conflicten, zeker niet wanneer het gaat om de vormgeving van een uitvaart, daar waar een pastor de eindverantwoordelijkheid heeft en houdt. Dus… ik ben en blijf een ‘vrije vogel’.

Waarom ik theologie heb gestudeerd?

Waarom ik theologie heb gestudeerd?

Het is een interessante studie, dat sowieso. En het heeft alles te maken met mensen die hoe en waarom dan ook geloven in iets en/of in Iemand die groter is dan zijzelf.  De term ‘een hogere macht’ kan daarbij een zekere afhankelijkheid aangeven. Een ander woord is ‘kracht’ waardoor je je gesterkt kan weten. Het woord ‘God’ roept direct heel wat vragen op: Wat zeg je als je ‘God’ zegt? ‘God’ valt niet te definiëren.
Wat ik zeker ook interessant vond en nóg altijd vind is de manier waarop het leven zich in de loop van de eeuwen heeft ontwikkeld, welke veranderingen zich waarom voordeden. Met geschiedenis zoals wij die vroeger op school kregen – vooral het van buiten leren van jaartallen en een opeenvolging van oorlogen en vrede, heb ik niet veel. Het alledaagse leven en de ontwikkeling daarvan boeit me meer. En aan de hand daarvan onthoudt je belangrijke jaren wel.

Bij dat alledaags leven hoort ook religie, met al zijn hoogte- en dieptepunten, met al zijn bewegingen van vrijzinnigheid naar orthodoxie en de spanningen tussen die beide uitersten. Alleen al daarom zou het goed zijn meer van de geschiedenis te weten. Het zou een aantal problemen op kunnen lossen, zoals de uitspraak: ‘Het is altijd zo geweest.’ Maar het is zeker ‘niet altijd zo geweest’, ook al doet de stellige taal van nu dat vermoeden. Een manier van denken in een bepaalde tijd krijgt vorm in de manier waarop met godsdienst wordt omgegaan, dat kan niet anders. Absoluutheidaanspraken leiden tot narigheid – tot macht – hoe dan ook.
Religieus denken valt niet samen te vatten in een systeem. Het heeft iets te maken met grensoverschrijdend denken – kan zich afspelen voorbij de grens van het denken en heeft alles te maken met vermoeden en ervaren van een grotere werkelijkheid, ook al heb je daar geen exacte woorden voor.
Poëzie kan ons op een spoor zetten. En het onderzoek naar het bewustzijn, wat al geruime tijd behoorlijk aan de gang is, zou daarbij wel eens essentieel kunnen zijn.

Religie? ja of nee? of?????

Op 27 maart 2014 schreef ik o.a. het volgende:

Waar de vraag of religie een rol speelt vandaan komt? Iemand zei: ‘Jij bent toch theoloog?’ Ja dat klopt, maar je kunt mij geen etiket opplakken. Daarvoor is de werkelijkheid, ook de religieuze werkelijkheid te groot. Daarom ben ik ook niet in dienst van een kerk.
Aan kerkelijke denken van vandaag gaat een wereld van geschiedenis schuil. Je komt in conflict als je de situatie en de vormgeving + inhoud van nu opvat als alleenzaligmakend. Ik wil er vrij in zijn om daar met mensen samen vorm aan te geven. Misschien is dit niet echt duidelijk. Daarom nu één verhaal.

Een familie waar iemand is overleden zal ik altijd vragen of religie, een godsdienst voor de overledene en voor hen belangrijk is of was. Soms heb ik die informatie al via de uitvaartverzorger  die aangeeft  dat de familie wel gelovig is maar niet (meer) naar een kerk gaat.
Of ik daar een mening over heb? Nee, het gaat me om de familie die afscheid moet nemen, over wat voor hen belangrijk is, over wat zij in de loop van het leven hebben meegemaakt, over de manier waarop zij denken over leven en dood, etc. Die verhalen zijn belangrijk, daar gaan zij immers mee verder.

Soms vraagt men om een gebed, om het uitspreken van de zegen over de overledene. Daarbij wil en dan wel graag dat de taal niet te zwaar en in ieder geval goed invoelbaar is.

Eens vroeg een moeder mij of ik het Onze Vader wilde zeggen. Het was voor haar een vertrouwd gebed van heel lang geleden en er ging voor haar wat rust van uit. Dat mag, en ik beloofde het in de tekst te verwerken.  Maar haar zoon van veertien reageerde onverwacht fel door te zeggen dat hij dat maar niets vond. Op school moesten ze het met de klas bidden en hij vond het gewoon ‘dikke onzin.’ Waarom? ‘Nou er staat: geef ons heden ons dagelijks brood. En dat is onzin, want we hebben genoeg, zelfs meer dan genoeg, we gooien het zelfs weg.’ Nou ja, gaf hij toe, er zijn wel voedselbanken waar het naar toe kan. Maar bidden om brood bleef voor hem onzin. Toen zijn moeder vertelde dat het gebed haar goed deed en haar even iets vertrouwds gaf zonder op de letterlijke betekenis af te gaan, vond hij het goed. Maar dan alleen voor zijn moeder, verder nergens om, dat moesten we goed onthouden. Ik bedankte hem, en besloot me thuis even in die tekst te verdiepen, maar zei dat niet omdat ik geen idee had waar ik uit zou komen.

Een oude tekst vertalen is lastig. Dat merk je zelfs al wanneer je een stuk vanuit een dialect naar het Nederlands moet vertalen, of omgekeerd naar een dialect. ‘Het is het net niet,’ hoor je iemand dan wel eens zeggen.  De kunst is zo dicht mogelijk bij de betekenis te komen. Daarbij komt ook nog dat woorden van betekenis veranderen. En de ontwikkeling van heel veel techniek geeft evenzoveel totaal nieuwe woorden. Dat maken wij in onze tijd heel sterk mee. Probeer maar eens een boek te lezen uit de 16e eeuw…..

Thuisgekomen verdiepte ik mij in de tekst van het Onze Vader. Het blijkt een hele studie te zijn waar je niet zomaar klaar mee bent. Logisch, zo’n tekst uit een totaal andere cultuur van 2000 jaar geleden.  Maar de zin die de jongen noemde bracht wel duidelijkheid. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ kan vanuit het Aramees heel goed vertaald worden door: ‘Geef ons wat we elke dag nodig hebben aan brood en inzicht.’ ‘Brood’ is in dit geval meer dan het letterlijke brood. En we hebben zowel brood als inzicht en wijsheid hard nodig.

Tijdens de uitvaart heb ik dit verteld; ik heb de jongen aangekeken en gezegd hoe goed het was dat hij zo reageerde, want anders had ik er verder ook niet op gelet. En dat we zowel brood als inzicht of wijsheid nodig hebben om een stap verder in het leven te komen snapt iedereen. Het Onze Vader werd er actueler door. Menigeen knikte instemmend. En de zoon kon door zijn verdriet heen trots zijn op zichzelf, en de moeder op haar zoon.

Wij zijn getrouwd, zij zijn weggelopen…….

Wij zij getrouwd, zij zijn weggelopen….

Wat dat met elkaar te maken heeft vertelt het volgende verhaal:

Ik was gevraagd naar een adres te gaan waar iemand overleden was. Het bleek een woonwagen te zijn waar de hele familie bij elkaar was omdat vader gestorven was. Ze hadden me al verwacht –  de koffie was klaar. Ze vertelden wat er was gebeurd – hadden het wel zien aankomen, want vader, ‘pappe’, was heel lang ziek geweest. Hij kon niet meer en ook al waren ze verdrietig, het was goed dat hij niet meer hoefde; nu had hij rust en dat had hij verdiend.

Pappe had zijn leven lang heel hard gewerkt. Naar school was hij maar heel weinig geweest, want vroeger trok het gezin rond – op zoek naar werk. En als het werk klaar was trokken ze verder. Zo ging dat toen. Daarom zat naar school gaan er vaak niet in.

Dat reizen zat hen nog altijd wel in het bloed. Want ook al was het nu anders omdat ze niet meer mochten reizen, omdat de woonwagenkampen van de regering steeds kleiner moesten worden en ze ook nog steeds meer in gewone huizen moesten gaan wonen, ze voelden zich nog altijd reizigers.

Reizigers waren ze en dat bleven ze. En ik merkte dat ze daarom nog altijd graag ‘reizigers’ genoemd werden. ‘Woonwagenbewoners’, nee, dat woord klonk niet goed, en veel ‘burgers’, mensen die altijd in een huis woonden, keken vaak op hen neer. Dat voelden ze soms nog wel.

En ja, ze zeiden altijd ‘pappe ‘en ‘mamme’,  niet zoals burgers ‘papa en mama’ of ‘pa en ma’, of ‘moeder en vader.’ ‘Pappe en mamme’ – als je dat hoort weet je dat je met reizigers te maken hebt. Dat is me later nog vaak van pas gekomen.

‘Wanneer zijn jullie getrouwd?’ vroeg ik. ‘Getrouwd?’ Mamme had geen idee. ‘Je bedoelt naar het stadhuis gaan?’ Ja, dat bedoelde ik. Maar ze wist het niet, niemand wist het. Er waren ook geen foto’s van. En dat stadhuis was ook niet belangrijk, daar schreven ze alleen maar iets op.

Natuurlijk hoorden pappe en mamme bij elkaar, anders waren ze geen pappe en mamme. Of er dan geen feestje was? Ja, maar eerst liepen ze weg. En als ze terugkwamen waren ze getrouwd. Zo ging dat. En als het kon kregen ze een eigen wagen. Kon dat niet, dan trokken ze voorlopig bij hun ouders in.

Van oudsher waren ze katholiek. Je ziet het nog wel in de bloemen bij een uitvaart. Bloemen? Bloemstukken – veel bloemstukken – heel groot – heel knap samengesteld. Er is vaak een Mariakapelletje bij – want Maria is belangrijk voor hen. Dat is gewoon zo. En ze zouden het fijn vinden als ik een Weesgegroetje bad, voor hen allemaal. En of ik pappe wil zegenen….    Dat zouden ze heel fijn vinden. Natuurlijk.

Naar de kerk gaan ze niet of niet meer. Ze kunnen daar hun eigen gevoel niet meer kwijt. Vroeger nog wel; de ouderen herinneren zich dat nog wel, want toen was er nog een woonwagenpastor, maar die is er al lang niet meer. Maar iets van het gevoel is er overgebleven. En daar gaat het om.

Die manier van trouwen – weglopen – is al heel oud. Pas in onze tijd begint deze traditie te kantelen en worden er huwelijken gesloten op de manier zoals dat tegenwoordig gaat.

Een paar jaar geleden kwam ik voor het laatst – tot nu toe – in contact met reizigers. Op een gegeven moment vroeg ik hen: ‘Zijn jullie getrouwd of zijn jullie weggelopen?’ Ze keken elkaar even aan, en een van hen zei toen: Wij zijn getrouwd en zij zijn nog weggelopen.’ Ja, ze gingen daarna nog wel een keer naar het stadhuis, maar dat was alleen maar omdat er iets opgeschreven moest worden. En dat stelde op zich dus niets voor.  Maar ze zouden er zijn voor elkaar, zoals ze dat altijd al waren. Mamme zou niet alleen gelaten worden… daar kon ik van op aan. Maar dat had ik bij de andere reizigersfamilies al gemerkt.

Dood is: ‘Hij doet het niet.’

Dood is: ‘hij doet het niet’ 

Tim, 2.5 jaar oud, zou een broertje of zusje krijgen en keek daar samen met zijn vader en moeder enorm naar uit. Hij streelde mama over de buik en gaf er een kusje op. Op de peuterspeelzaal vroegen ze hem wat het zou worden – een meisje of een jongen. Zijn ouders hadden hem dat niet verteld want zij wilden dat voor zichzelf houden. Maar Tim wist het toch wel: ‘Een meisje met een piemel,’ en dat had hij helemaal zelf bedacht.

Bij de geboorte ging er jammer genoeg iets heel erg mis en de ouders kwamen met het dode kindje thuis. Tim werd niet weggehouden, integendeel. ‘Wat is hij lief’, zei hij, maar hij doet het niet.’  ‘Nee,’ vertelden zijn ouders, ‘hij doet het niet, en daarom is hij koud.’ Tim streelde  het kindje en probeerde een oplossing te vinden: het kindje moest extra veel kleertjes aan en de  verwarming moest hoog. Het hielp niet. Toen riep hij: ‘Nieuwe batterijen!’ Zijn ouders vertelden hem dat er geen batterijen voor dode baby’s bestaan. De volgende dag deed het kindje het nog niet en de dag daarna ook nog niet. Ze moesten het begraven. Natuurlijk ging Tim mee. Zo af en toe liep hij naar het kistje toe en ging dan weer terug naar zijn plaats naast papa en mama. Ze hebben afgesproken dat iemand hem even mee naar buiten zal nemen voor  het geval hij te onrustig mocht worden. Daardoor hoeven de ouders niet op hem te letten.

We steken lichtjes aan – papa en mama en Tim. En daarna doet iedereen eraan mee.

Op het kerkhof gooit ook hij met een eigen schepje zand in het grafje. Hij weet zelfs van geen ophouden; gaat door tot zijn moeder geëmotioneerd zegt: ‘Zo is het wel genoeg.’

Een half jaar later weet hij nog dat hij een lichtje voor zijn broertje heeft aangestoken.

Hij gaat ook wel eens mee naar het kerkhof, en dan maakt hij samen met zijn ouders het grafje schoon. De eerste keer werd hij wel kwaad toen zij de speeltjes en de knuffels pakten: ‘Dat mag jij niet, dat is van mijn broertje!’ Maar toen ze hem uitlegden dat het alleen maar was om het schoon te maken vond hij het goed. Ze vroegen hem of hij mee wilde helpen. En als ze langs het kerkhof rijden roept hij: ‘Dag lief broertje, straks kom ik je weer bij je.’  Nog maanden later vertelde hij dat zijn broertje begraven is omdat ‘hij het niet meer doet’, en dat hij een lichtje had aangestoken en zand in het grafje had geschept.

Hij zal in de loop van de tijd ‘vergeten’ wat er in dat bewuste jaar is gebeurd – de concrete herinnering zal vervagen. Maar hij is er wel bij betrokken geweest, met hoofd, hart en handen, en die ervaring neemt niemand hem af.

Tegelijk was hij op zijn manier een enorme steun voor zijn ouders.

Facebook

Facebook…

Net als zovelen ‘stond’ ik ook op Facebook, al had ik me er al heel lang niet meer mee bezig gehouden. Ik was het eigenlijk in de loop van de tijd gewoon vergeten, misschien wel wegens de aanmelding van teveel ‘vrienden’, met wie ik geen enkele gelijkenis, geen enkele overeenstemming in belangstelling kon ontdekken. Maar ineens sprak iemand me aan op het feit dat ik op een universiteit in China zou hebben gestudeerd. Klopt niet, ik ben nooit in China geweest, en in de tijd dát ik daar dan geweest zou zijn sprak in zeker niet voldoende Engels om de studie te kunnen volgen, als die destijds  al in het Engels zou zijn gegeven. En nee, de mededeling dat ik in China zou hebben gestudeerd heb ik niet op Facebook geschreven. Wie dan wel? Geen idee, echt niet. Of ik dan een al te gemakkelijk wachtwoord had. Hoe een ander dan zomaar op mijn Facebook iets zou kunnen schrijven. Echt geen idee. Er stond nog meer op, n.l. dat ik bij Aventura heb gewerkt. Geen idee wat Aventura is, laat staan dat ik er heb gewerkt. Maar op die pagina van Facebook stond wel mijn foto. Dus moet ik daar hebben gewerkt. Echt geen idee – het klopt gewoon niet.

Er bleek nog meer aan de hand te zijn. Op een ‘andere’ pagina, ook met mijn foto, stond dat ik geen hoger onderwijs heb genoten. Dat heb ik dus wel. Ik heb een PABO- en een conservatoriumopleiding en heb later ook nog theologie gestudeerd.

Het is wel heel raar om te ontdekken dat je op twee pagina’s te vinden bent, d.w.z. dat daar je foto staat vergezeld van een beschrijving die van geen kant klopt.

Bij deze hoop ik dat hier recht te hebben gezet. Natuurlijk heb ik geprobeerd beide foutieve pagina’s te verwijderen, maar weet niet of dat gelukt is.