Kind en Rouw 6

Zomaar enkele verhalen…..

1.
Een kind van een jaar of zes mocht niet op bezoek bij opa die in het ziekenhuis lag. Ook toen opa overleed mocht het kind hem niet zien. het mocht ook niet mee naar de uitvaart. Ja, de moeder gaf toe dat het haar eigen angst was, maar haar ‘nee’ bleef ‘nee’.
Enkele weken later moest het kind naar de KNO-arts. Maar die heeft spreekuur in het ziekenhuis……  Het werd een vechtpartijtje – trappen, schoppen, schreeuwen… het wilde niet mee, want in het ziekenhuis ga je dood…..

2.
Leo, zes jaar oud, het enige kind in het gezin, wist dat hij er twee zusjes bij zou krijgen. Hun kamertje was mooi geworden, hun kleertjes lagen klaar, ze waren meer dan welkom. Maar heel onverwachts, nog in de buik van mama, overleden ze. Het verdriet was groot, ook voor Leo.
Hij mocht ging mee naar het ziekenhuis waar ze lagen opgebaard. Daar kon hij hen aanraken en een kusje geven. De ouders moesten nog even met de verpleegkundige mee en vroegen hun zoontje mee te gaan. Maar Leo bleef liever bij zijn zusjes. Een korte aarzeling…. En toen vertrouwden zijn ouders hem dat toe.
Toen zij terugkwamen zei hij dat hij hen een verhaaltje had verteld – wát wilde hij niet zeggen. En hij had ook voor hen gedanst: ‘Dan weten ze toch wie ik ben.’

3.
Een vader vertelde dat hij kort na het overlijden van zijn vrouw enorm schrok toen hij zag dat zijn zoon van 15 op een ochtend wel heel vreemd uitgedost aan het ontbijt verscheen. Hij had een joggingpak aan dat hem om het lijf zwabberde. Hij keek zijn zoon vragend aan: ‘Van wie is dat shirt?’ ‘Van mama.’ ‘En die broek?’ ‘Ook van mama.’ Hij keek nog eens: ‘Past het jou?’ Zo te zien dus echt niet, maar de jongen antwoordde: ‘Ja.’ Zijn vader, na een aarzeling:  ‘Hou het dan maar aan.’ Het paste hem omdat het van zijn moeder was, zelfs nog naar haar rook.

4.
Een reactie die pas later echt tot me doordrong: ‘Oma heeft een nieuw huisje met een dakje vlak boven haar.’ Het kind was tevreden.….  Maar mag je daar tevreden mee zijn?

Advertenties

Kind en Rouw 5

Wat kan er in een kind omgaan?
De volgende ervaring deed ik op in Duitsland.
Het is daar nogal eens gebruikelijk dat dat een lichaam eerst gecremeerd wordt en dat daarna de urnenbijzetting volgt. In een uitvaartplechtigheid staat er dan dus niet de kist met het dode lichaam, maar een urn. Zo ook in de situatie waarin ik gevraagd was de plechtigheid te leiden.
Er was een jonge vader overleden – hij liet zijn vrouw en twee dochtertjes achter. Ik stelde de moeder voor er met haar kinderen over te praten, over hoe papa eruit zag, dat hij niet meer ademde enz. En ik gaf haar mijn boekjes, waarvan ook een Duitse uitgave beschikbaar is. (zie http://www.corriewolters.nl,) Maar om de een of andere reden was het er kennelijk niet van gekomen, thuis niet, en op school ook niet.  Angst?
De kinderen hadden papa na zijn overlijden dan ook niet meer gezien. Tijdens de uitvaart waren ze er wel bij en staken ook een lichtje aan. Maar die urn – daar was toch wel iets vreemds mee. Na afloop namen twee mannen die op en droegen hem tussen zich in naar het graf, dat dus maar heel klein was. Mama en de kinderen liepen als eersten direct achter die beide mannen aan. Een van de kinderen vroeg: ‘Mama, ist papa da drin?’
‘Ja,’  antwoordde mama.
Ik zie de vragende blik van het kind nog voor me.

Kind en rouw 4

Houd kinderen niet bij de overledene weg. Geef hen de kans hem te zien, te voelen ook. Als ze aarzelen – dat geeft niet, ze komen wel. Kinderen voelen het feilloos aan wanneer er iets ergs gebeurd is. Wees niet bang voor een eventuele heftige reactie.

Een moeder had haar kind van acht niet meegenomen naar de uitvaart van een tante, en het kind was er kwaad om. Moeder vond dat het kind nog niet groot genoeg was. Vraag van het kind: ‘Wanneer ben ik dan wel groot genoeg?’ Moeder beloofde dat als het kind negen zou zijn het wel mee mocht.  Angstige  vraag van het kind: ‘Wie  gaat er dan nu gauw dood?’

Een jongen van veertien was verongelukt. Zijn broertje van acht mocht hem niet zien, mocht ook niet mee naar de uitvaart. Een week later nam zijn vader hem mee naar de begraafplaats.
‘Waar is Johan?’
‘Daar.’
‘Waar?’
‘Daar,’ en vader wees naar de grond.
‘In het zand?’
‘Ja.’
Het kind, in paniek: ‘Haal hem er dan uit!’

Rouw en afscheid.

Kinderen voelen het feilloos aan wanneer er iets ergs gebeurd is. Schakel ze erbij in, hou ze niet weg, zeker niet uit angst voor een mogelijke reactie.

Een moeder had haar kind van acht niet meegenomen naar de uitvaart van een tante, en het kind was er kwaad om. Moeder vond dat het kind nog niet groot genoeg was. Vraag van het kind: ‘Wanneer ben ik dan wel groot genoeg?’ Moeder beloofde dat als het kind negen zou zijn het wel mee mocht.  Angstige  vraag van het kind: ‘Wie  gaat er dan nu gauw dood?’

Een jongen van veertien was verongelukt. Zijn broertje van acht mocht hem niet zien, mocht ook niet mee naar de uitvaart. Een week later nam zijn vader hem mee naar de begraafplaats.
‘Waar is Johan?’
‘Daar.’
‘Waar?’
‘Daar,’ en vader wees naar de grond.
‘In het zand?’
‘Ja.’
Het kind, in paniek: ‘Haal hem er dan uit!’

View original post

Kind en Rouw 3

Wees eerlijk naar kinderen toe.
Wat is dood? Dood is niet: ‘slapen voor altijd.’
Je kan wel heel lang slapen, je kan slapen tot je honderd bent, maar dan word je toch weer wakker, alleen ben je dan al heel oud, en dat is jammer. Dood is dood – niets meer en niets minder. En als je dood bent doe je het niet meer, zoals een kind van 2.5 jaar zei. Zie het verhaal van Tim.
Een kind reageerde op de opmerking dat opa ‘voor altijd sliep’ als volgt: ‘Maar als opa nou altijd slaapt, dan wordt hij weer wakker en dan merkt hij dat hij in een kist ligt en er niet uit kan. Dan wordt hij toch bang?’
Eenzelfde opmerking werd gemaakt naar aanleiding van cremeren: ‘Dan slaapt opa heel lang en dan wordt hij wakker en dan merkt hij dat hij verbrand is. Dat doet toch heel veel pijn? En wie maakt hem dan beter? Want dan is hij toch helemaal alleen?’
Het komt voor – al lijkt het ongelooflijk.

Kind en Rouw 2

Kinderen voelen het feilloos aan wanneer er iets ergs gebeurd is. Schakel ze erbij in, hou ze niet weg, zeker niet uit angst voor een mogelijke reactie.

Een moeder had haar kind van acht niet meegenomen naar de uitvaart van een tante, en het kind was er kwaad om. Moeder vond dat het kind nog niet groot genoeg was. Vraag van het kind: ‘Wanneer ben ik dan wel groot genoeg?’ Moeder beloofde dat als het kind negen zou zijn het wel mee mocht.  Angstige  vraag van het kind: ‘Wie  gaat er dan nu gauw dood?’

Een jongen van veertien was verongelukt. Zijn broertje van acht mocht hem niet zien, mocht ook niet mee naar de uitvaart. Een week later nam zijn vader hem mee naar de begraafplaats.
‘Waar is Johan?’
‘Daar.’
‘Waar?’
‘Daar,’ en vader wees naar de grond.
‘In het zand?’
‘Ja.’
Het kind, in paniek: ‘Haal hem er dan uit!’

Kind en Rouw 1

Onlangs was ik gevraagd tijdens een open dag verhalen te vertellen over ‘Kind en Rouw’.  Een boeiend onderwerp – nog steeds. Het blijft een verdrietig, kwetsbaar en vaak moeilijk thema.
In een aantal fragmenten wil ik opschrijven wat ik die dag zoal heb verteld.

Wees open naar kinderen toe.
Het lijkt zo logisch, maar in de praktijk valt het nogal eens tegen omdat je als volwassen doorgaans ook niet buiten schot blijft.
Openheid naar kinderen toe levert je heel veel op. Als je over de drempel van kwetsbaarheid heen durft te stappen geef je zowel het kind als jezelf heel veel kansen om te zijn zoals zij zijn en zoals je zelf bent.
Daarbij komt: kinderen rouwen als het ware in stukjes: het ene moment kunnen ze heel diep verdrietig zijn  om dan zomaar weer tot de orde van ‘hun’ dag over te gaan. Als ze maar mogen zijn zoals ze zijn…. de dood verzwijgen gaat niet, want als je de dood verzwijgt verzwijg je ook het leven.
Ouderen kunnen ons daar veel over vertellen.
Een van de verhalen die me nog heel helder voor de geest staat is het volgende:
Ik was gevraagd naar een gezin te gaan waar een kindje net na de geboorte was overleden. Na afloop van het gesprek liep ik zomaar even over de begraafplaats, op zoek naar de plek waar kindjes worden begraven. Toen hoorde ik in het grind voetstappen achter me die langzaam dichterbij kwamen. Vervolgens sprak een vrouw op leeftijd me aan: ‘Zoekt u iets?’ Omdat het in een dorp was waar iedereen elkaar kende vertelde ik bij wie ik was geweest.
De vrouw keek me aan en zei: ‘Weet je wel dat er nu alsnog moeders die er vroeger niet bij konden zijn hun kindje begraven?’
‘Is dat bij jou ook zo?’ vroeg ik haar. Ze knikte stom, en er kwamen tranen in haar ogen.
‘Hoe heet jouw kindje?’ vroeg ik haar.
‘Het heeft geen naam.’ Dat geloofde ik niet en ik vroeg haar welke naam ze voor het kindje in gedachten had. ‘Heel gewoon, Marietje.’
Samen zochten we een paar dikke kiezelstenen uit en ik vroeg haar op beide de naam ‘Marietje’ te schrijven.
Eén steentje heeft ze toen op een beschut plekje  in de grond gestopt – het andere nam ze mee naar huis.

Waar gaat het in het leven om?

Waar maken we ons druk om, ieder op zijn of haar eigen manier? Wat is belangrijk, en wat doet er minder toe? Welke keuzes maken we en waarom? Van tijd tot tijd houden we ons allemaal wel eens met dergelijke vragen bezig, zeker wanneer iemand aan het einde van zijn leven is gekomen en wij  achterblijven.
Ik was gevraagd de uitvaart te verzorgen voor iemand die met een geestelijke handicap door het leven was gegaan, wat voor de omstanders niet altijd gemakkelijk was geweest. Er waren er die vonden dat sommigen er zich wel ‘mooi’ vanaf hadden gemaakt, en er heerste zo hier en daar ook een beetje een gevoel dat degenen die de meeste zorg hadden gegeven zich hadden laten gebruiken. Al met al was het een kwetsbare situatie.
Ik besloot het volgende verhaal te vertellen – het is echt gebeurd en ook al is het intussen een aantal jaren geleden, het maakt nog steeds een diep indruk op mij, en dat terwijl het gaat om een heel eenvoudig verhaal van een heel eenvoudige man – ik vergeet het nooit meer        

De man in de trein

Ik had eens een vrije dag; besloot een treinreisje te maken en nam een mooi boek mee. In Deventer kwam er iemand naast me zitten. ‘Als hij maar niet tegen me gaat praten,’ dacht ik, want mijn boek was veel te mooi. Maar na een paar minuten zei hij iets – tegen wie wist ik niet, want hij keek naar niemand. En omdat ik hem niet goed verstond was het vast niet belangrijk, dacht ik.

Maar hij praatte door, en zonder dat ik het wilde luisterde ik toch. Het leek alsof hij iedere keer hetzelfde zei. Langzaam verstond ik: ‘Goeie dingen doen, goeie dingen doen, want waarom ben je anders hier? Goeie dingen doen, want anders ga je dood en heb je niks gedaan….’ Dit bleef hij maar herhalen, en omdat lezen toch niet meer lukte klapte ik mijn boek dicht.

‘Wat bedoel je met ‘goeie dingen doen’?’ Hij vertelde dat hij eens voor iemand een kippenhok had geschilderd en een muurtje dat vol zat met vogelpoep had schoongemaakt en dat die mensen toen heel blij waren. ‘Goeie dingen doen, want anders ga je dood en heb je niets gedaan,’ zo ging hij door.  Enkele stations verder stapte hij uit. ‘Misschien zie ik je morgen wel weer,’ zei hij tot slot. Ja, misschien wel. Kan het eenvoudiger, kan het wezenlijker?