Religie? ja of nee? of?????

Op 27 maart 2014 schreef ik o.a. het volgende:

Waar de vraag of religie een rol speelt vandaan komt? Iemand zei: ‘Jij bent toch theoloog?’ Ja dat klopt, maar je kunt mij geen etiket opplakken. Daarvoor is de werkelijkheid, ook de religieuze werkelijkheid te groot. Daarom ben ik ook niet in dienst van een kerk.
Aan kerkelijke denken van vandaag gaat een wereld van geschiedenis schuil. Je komt in conflict als je de situatie en de vormgeving + inhoud van nu opvat als alleenzaligmakend. Ik wil er vrij in zijn om daar met mensen samen vorm aan te geven. Misschien is dit niet echt duidelijk. Daarom nu één verhaal.

Een familie waar iemand is overleden zal ik altijd vragen of religie, een godsdienst voor de overledene en voor hen belangrijk is of was. Soms heb ik die informatie al via de uitvaartverzorger  die aangeeft  dat de familie wel gelovig is maar niet (meer) naar een kerk gaat.
Of ik daar een mening over heb? Nee, het gaat me om de familie die afscheid moet nemen, over wat voor hen belangrijk is, over wat zij in de loop van het leven hebben meegemaakt, over de manier waarop zij denken over leven en dood, etc. Die verhalen zijn belangrijk, daar gaan zij immers mee verder.

Soms vraagt men om een gebed, om het uitspreken van de zegen over de overledene. Daarbij wil en dan wel graag dat de taal niet te zwaar en in ieder geval goed invoelbaar is.

Eens vroeg een moeder mij of ik het Onze Vader wilde zeggen. Het was voor haar een vertrouwd gebed van heel lang geleden en er ging voor haar wat rust van uit. Dat mag, en ik beloofde het in de tekst te verwerken.  Maar haar zoon van veertien reageerde onverwacht fel door te zeggen dat hij dat maar niets vond. Op school moesten ze het met de klas bidden en hij vond het gewoon ‘dikke onzin.’ Waarom? ‘Nou er staat: geef ons heden ons dagelijks brood. En dat is onzin, want we hebben genoeg, zelfs meer dan genoeg, we gooien het zelfs weg.’ Nou ja, gaf hij toe, er zijn wel voedselbanken waar het naar toe kan. Maar bidden om brood bleef voor hem onzin. Toen zijn moeder vertelde dat het gebed haar goed deed en haar even iets vertrouwds gaf zonder op de letterlijke betekenis af te gaan, vond hij het goed. Maar dan alleen voor zijn moeder, verder nergens om, dat moesten we goed onthouden. Ik bedankte hem, en besloot me thuis even in die tekst te verdiepen, maar zei dat niet omdat ik geen idee had waar ik uit zou komen.

Een oude tekst vertalen is lastig. Dat merk je zelfs al wanneer je een stuk vanuit een dialect naar het Nederlands moet vertalen, of omgekeerd naar een dialect. ‘Het is het net niet,’ hoor je iemand dan wel eens zeggen.  De kunst is zo dicht mogelijk bij de betekenis te komen. Daarbij komt ook nog dat woorden van betekenis veranderen. En de ontwikkeling van heel veel techniek geeft evenzoveel totaal nieuwe woorden. Dat maken wij in onze tijd heel sterk mee. Probeer maar eens een boek te lezen uit de 16e eeuw…..

Thuisgekomen verdiepte ik mij in de tekst van het Onze Vader. Het blijkt een hele studie te zijn waar je niet zomaar klaar mee bent. Logisch, zo’n tekst uit een totaal andere cultuur van 2000 jaar geleden.  Maar de zin die de jongen noemde bracht wel duidelijkheid. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ kan vanuit het Aramees heel goed vertaald worden door: ‘Geef ons wat we elke dag nodig hebben aan brood en inzicht.’ ‘Brood’ is in dit geval meer dan het letterlijke brood. En we hebben zowel brood als inzicht en wijsheid hard nodig.

Tijdens de uitvaart heb ik dit verteld; ik heb de jongen aangekeken en gezegd hoe goed het was dat hij zo reageerde, want anders had ik er verder ook niet op gelet. En dat we zowel brood als inzicht of wijsheid nodig hebben om een stap verder in het leven te komen snapt iedereen. Het Onze Vader werd er actueler door. Menigeen knikte instemmend. En de zoon kon door zijn verdriet heen trots zijn op zichzelf, en de moeder op haar zoon.

Advertenties

Wij zijn getrouwd, zij zijn weggelopen…….

Wij zij getrouwd, zij zijn weggelopen….

Wat dat met elkaar te maken heeft vertelt het volgende verhaal:

Ik was gevraagd naar een adres te gaan waar iemand overleden was. Het bleek een woonwagen te zijn waar de hele familie bij elkaar was omdat vader gestorven was. Ze hadden me al verwacht –  de koffie was klaar. Ze vertelden wat er was gebeurd – hadden het wel zien aankomen, want vader, ‘pappe’, was heel lang ziek geweest. Hij kon niet meer en ook al waren ze verdrietig, het was goed dat hij niet meer hoefde; nu had hij rust en dat had hij verdiend.

Pappe had zijn leven lang heel hard gewerkt. Naar school was hij maar heel weinig geweest, want vroeger trok het gezin rond – op zoek naar werk. En als het werk klaar was trokken ze verder. Zo ging dat toen. Daarom zat naar school gaan er vaak niet in.

Dat reizen zat hen nog altijd wel in het bloed. Want ook al was het nu anders omdat ze niet meer mochten reizen, omdat de woonwagenkampen van de regering steeds kleiner moesten worden en ze ook nog steeds meer in gewone huizen moesten gaan wonen, ze voelden zich nog altijd reizigers.

Reizigers waren ze en dat bleven ze. En ik merkte dat ze daarom nog altijd graag ‘reizigers’ genoemd werden. ‘Woonwagenbewoners’, nee, dat woord klonk niet goed, en veel ‘burgers’, mensen die altijd in een huis woonden, keken vaak op hen neer. Dat voelden ze soms nog wel.

En ja, ze zeiden altijd ‘pappe ‘en ‘mamme’,  niet zoals burgers ‘papa en mama’ of ‘pa en ma’, of ‘moeder en vader.’ ‘Pappe en mamme’ – als je dat hoort weet je dat je met reizigers te maken hebt. Dat is me later nog vaak van pas gekomen.

‘Wanneer zijn jullie getrouwd?’ vroeg ik. ‘Getrouwd?’ Mamme had geen idee. ‘Je bedoelt naar het stadhuis gaan?’ Ja, dat bedoelde ik. Maar ze wist het niet, niemand wist het. Er waren ook geen foto’s van. En dat stadhuis was ook niet belangrijk, daar schreven ze alleen maar iets op.

Natuurlijk hoorden pappe en mamme bij elkaar, anders waren ze geen pappe en mamme. Of er dan geen feestje was? Ja, maar eerst liepen ze weg. En als ze terugkwamen waren ze getrouwd. Zo ging dat. En als het kon kregen ze een eigen wagen. Kon dat niet, dan trokken ze voorlopig bij hun ouders in.

Van oudsher waren ze katholiek. Je ziet het nog wel in de bloemen bij een uitvaart. Bloemen? Bloemstukken – veel bloemstukken – heel groot – heel knap samengesteld. Er is vaak een Mariakapelletje bij – want Maria is belangrijk voor hen. Dat is gewoon zo. En ze zouden het fijn vinden als ik een Weesgegroetje bad, voor hen allemaal. En of ik pappe wil zegenen….    Dat zouden ze heel fijn vinden. Natuurlijk.

Naar de kerk gaan ze niet of niet meer. Ze kunnen daar hun eigen gevoel niet meer kwijt. Vroeger nog wel; de ouderen herinneren zich dat nog wel, want toen was er nog een woonwagenpastor, maar die is er al lang niet meer. Maar iets van het gevoel is er overgebleven. En daar gaat het om.

Die manier van trouwen – weglopen – is al heel oud. Pas in onze tijd begint deze traditie te kantelen en worden er huwelijken gesloten op de manier zoals dat tegenwoordig gaat.

Een paar jaar geleden kwam ik voor het laatst – tot nu toe – in contact met reizigers. Op een gegeven moment vroeg ik hen: ‘Zijn jullie getrouwd of zijn jullie weggelopen?’ Ze keken elkaar even aan, en een van hen zei toen: Wij zijn getrouwd en zij zijn nog weggelopen.’ Ja, ze gingen daarna nog wel een keer naar het stadhuis, maar dat was alleen maar omdat er iets opgeschreven moest worden. En dat stelde op zich dus niets voor.  Maar ze zouden er zijn voor elkaar, zoals ze dat altijd al waren. Mamme zou niet alleen gelaten worden… daar kon ik van op aan. Maar dat had ik bij de andere reizigersfamilies al gemerkt.

Dood is: ‘Hij doet het niet.’

Dood is: ‘hij doet het niet’ 

Tim, 2.5 jaar oud, zou een broertje of zusje krijgen en keek daar samen met zijn vader en moeder enorm naar uit. Hij streelde mama over de buik en gaf er een kusje op. Op de peuterspeelzaal vroegen ze hem wat het zou worden – een meisje of een jongen. Zijn ouders hadden hem dat niet verteld want zij wilden dat voor zichzelf houden. Maar Tim wist het toch wel: ‘Een meisje met een piemel,’ en dat had hij helemaal zelf bedacht.

Bij de geboorte ging er jammer genoeg iets heel erg mis en de ouders kwamen met het dode kindje thuis. Tim werd niet weggehouden, integendeel. ‘Wat is hij lief’, zei hij, maar hij doet het niet.’  ‘Nee,’ vertelden zijn ouders, ‘hij doet het niet, en daarom is hij koud.’ Tim streelde  het kindje en probeerde een oplossing te vinden: het kindje moest extra veel kleertjes aan en de  verwarming moest hoog. Het hielp niet. Toen riep hij: ‘Nieuwe batterijen!’ Zijn ouders vertelden hem dat er geen batterijen voor dode baby’s bestaan. De volgende dag deed het kindje het nog niet en de dag daarna ook nog niet. Ze moesten het begraven. Natuurlijk ging Tim mee. Zo af en toe liep hij naar het kistje toe en ging dan weer terug naar zijn plaats naast papa en mama. Ze hebben afgesproken dat iemand hem even mee naar buiten zal nemen voor  het geval hij te onrustig mocht worden. Daardoor hoeven de ouders niet op hem te letten.

We steken lichtjes aan – papa en mama en Tim. En daarna doet iedereen eraan mee.

Op het kerkhof gooit ook hij met een eigen schepje zand in het grafje. Hij weet zelfs van geen ophouden; gaat door tot zijn moeder geëmotioneerd zegt: ‘Zo is het wel genoeg.’

Een half jaar later weet hij nog dat hij een lichtje voor zijn broertje heeft aangestoken.

Hij gaat ook wel eens mee naar het kerkhof, en dan maakt hij samen met zijn ouders het grafje schoon. De eerste keer werd hij wel kwaad toen zij de speeltjes en de knuffels pakten: ‘Dat mag jij niet, dat is van mijn broertje!’ Maar toen ze hem uitlegden dat het alleen maar was om het schoon te maken vond hij het goed. Ze vroegen hem of hij mee wilde helpen. En als ze langs het kerkhof rijden roept hij: ‘Dag lief broertje, straks kom ik je weer bij je.’  Nog maanden later vertelde hij dat zijn broertje begraven is omdat ‘hij het niet meer doet’, en dat hij een lichtje had aangestoken en zand in het grafje had geschept.

Hij zal in de loop van de tijd ‘vergeten’ wat er in dat bewuste jaar is gebeurd – de concrete herinnering zal vervagen. Maar hij is er wel bij betrokken geweest, met hoofd, hart en handen, en die ervaring neemt niemand hem af.

Tegelijk was hij op zijn manier een enorme steun voor zijn ouders.

Facebook

Facebook…

Net als zovelen ‘stond’ ik ook op Facebook, al had ik me er al heel lang niet meer mee bezig gehouden. Ik was het eigenlijk in de loop van de tijd gewoon vergeten, misschien wel wegens de aanmelding van teveel ‘vrienden’, met wie ik geen enkele gelijkenis, geen enkele overeenstemming in belangstelling kon ontdekken. Maar ineens sprak iemand me aan op het feit dat ik op een universiteit in China zou hebben gestudeerd. Klopt niet, ik ben nooit in China geweest, en in de tijd dát ik daar dan geweest zou zijn sprak in zeker niet voldoende Engels om de studie te kunnen volgen, als die destijds  al in het Engels zou zijn gegeven. En nee, de mededeling dat ik in China zou hebben gestudeerd heb ik niet op Facebook geschreven. Wie dan wel? Geen idee, echt niet. Of ik dan een al te gemakkelijk wachtwoord had. Hoe een ander dan zomaar op mijn Facebook iets zou kunnen schrijven. Echt geen idee. Er stond nog meer op, n.l. dat ik bij Aventura heb gewerkt. Geen idee wat Aventura is, laat staan dat ik er heb gewerkt. Maar op die pagina van Facebook stond wel mijn foto. Dus moet ik daar hebben gewerkt. Echt geen idee – het klopt gewoon niet.

Er bleek nog meer aan de hand te zijn. Op een ‘andere’ pagina, ook met mijn foto, stond dat ik geen hoger onderwijs heb genoten. Dat heb ik dus wel. Ik heb een PABO- en een conservatoriumopleiding en heb later ook nog theologie gestudeerd.

Het is wel heel raar om te ontdekken dat je op twee pagina’s te vinden bent, d.w.z. dat daar je foto staat vergezeld van een beschrijving die van geen kant klopt.

Bij deze hoop ik dat hier recht te hebben gezet. Natuurlijk heb ik geprobeerd beide foutieve pagina’s te verwijderen, maar weet niet of dat gelukt is.

Religie – of niet?

Speelt religie een rol?

Dat is misschien een lastige vraag. Gemakkelijker is het wanneer mensen vertellen van hun visie op leven en dood. Wat is de zin van het leven? Wat gebeurt er bij de dood? Al pratend merk je dat niemand daar het laatste woord over kan hebben. Daarvoor zijn deze vragen te groot. Je mag wel je eigen levensgevoel serieus nemen. Vragen als:

  • is er meer tussen hemel  en aarde? 

  • Hoe leef je voort, of niet?

  • Wat laat je achter? En dan gaat het niet om geld en goed.

  • Er wordt zoveel ontdekt over het heelal. Wat zullen we nog ontdekken van het concrete ‘alledaagse’ leven? Wat is de zin daarvan, als er toch een einde aan komt?

Gesprekken hierover, als is het maar even, zijn boeiend; vooral als ieder zijn eigen gedachten daarover tot uiting mag brengen zonder een eventueel beter weten van een ander.

Of religie een rol speelt? Wat versta je onder religie? Voor de een betekent dat een georganiseerde, gestructureerde godsdienst, voor een ander is een vrijere invulling van iets dat groter is dan je verstand en in die zin vrijer dan een godsdienst.Voor beide kun je woorden vinden, maar houdt die dicht bij jezelf want anders worden ze inhoudsloos. Mensen voelen dat aan, zeker in kwetsbare situaties.

Waar de vraag of religie een rol speelt vandaan komt? Iemand zei: ‘Jij bent toch theoloog?’ Ja dat klopt, maar je kunt mij geen etiket opplakken. Daarvoor is de werkelijkheid, ook wat mij betreft, de religieuze werkelijkheid te groot. Daarom ben ik ook niet in dienst van een kerk.

Aan kerkelijke denken van vandaag gaat een wereld van geschiedenis schuil. Je komt in conflict als je de situatie en de vormgeving + inhoud van nu opvat als alleenzaligmakend. Ik wil er vrij in zijn om daar met mensen samen vorm aan te geven. Vandaar.

 

 

 

Kinderen?

Neem je kinderen mee naar een uitvaart?

Ja natuurlijk. Als ze heel klein zijn en je bent bang dat er niet tegen kunnen, dat ze gaan huilen of rondrennen, kun je ervoor zorgen dat iemand even met hen naar buiten gaat. Dan heb je er zelf even geen omkijken naar. Mijn ervaring is dat het eigenlijk altijd goed gaat.

Is het erg als een kind niet mee mag? Je hoort oude mensen nog vertellen hoe ze vroeger weg werden gehouden als er iemand was overleden, hoe ze er niet bij werden betrokken maar haarfijn aanvoelden dat er iets erg was gebeurd.

Enige tijd terug was er een moeder die haar kind (5 jaar) niet meer wilde nemen naar de uitvaart van opa, haar vader. Ze gaf ronduit toe dat het haar eigen angst was, zij was bang dat zij zelf met een eventuele reactie van haar kind niet om zou kunnen gaan. Ze kon ook nauwelijks omgaan met haar eigen verdriet – haar vader was immers overleden. Dat verdriet er gewoon mag zijn en dat het ook weer overgaat kon voor haar niet – want waar bleef ze zelf dan? Haar ‘nee’ was en bleef ‘nee’.

Haar kind had opa ook niet mogen bezoeken in het ziekenhuis, had niet gezien dat opa dood was, had dus ook geen tekening voor hem mogen of kunnen maken, etc. Ze had alleen maar meegekregen dat opa in het ziekenhuis was en dat hij nu dood was. Punt. De tijd zou alles wel goedmaken.

Enige tijd later werd moest het kind naar een KNO-arts. Die had alleen spreekuur in het ziekenhuis. Maar het kind bleek in haar hoofd een combinatie te hebben gemaakt: ‘ziekenhuis = dood.’ Ze schreeuwde, sloeg van zich af, wilde onder geen voorwaarde mee, want in het ziekenhuis ga je dood. Het argument dat alleen heel erg zieke en oude mensen er soms doodgaan helpt niet. De moeder besefte dat ze een flink deel van het vertrouwen van haar kind kwijt was, en dat het veel tijd en zorgvuldigheid en vooral eerlijkheid zou vragen om dat terug te winnen.

Rekeningen

Via mijn site www.corriewolters.nl kwam een vraag binnen, en wel over een onderwerp waar ik bepaald geen verstand van heb – n.l. over rekeningen. Die persoon was ermee naar de uitvaartverzorger gegaan, maar omdat ik tijdens die plechtigheid heb gesproken vroeg ze ook naar mijn mening. Ik ben echter bij niemand in dienst, en heb totaal geen verstand van rekeningen.

Ik heb alleen maar een voorstel: als je de indruk hebt dat er iets niet klopt, vraag dan rechtstreeks een kopie van de rekening van adressen buiten de uitvaartonderneming om, zoals van de bloemist, van het crematorium, van het uitvaartcentrum, of van het restaurant wanneer je daar na afloop koffie hebt gedronken.

Het lastige is dat je hoofd er niet naar staat. Laatst zei iemand: ‘Ik heb al betaald, ik laat het erbij.’ Je kunt natuurlijk ook iemand uit je omgeving vragen die er emotioneel wat verder van af staat.

Of ik zelf iets heb meegemaakt? Ja. Ik kwam er heel toevallig achter dat de rekening van mijn toespraak zoals die naar de familie ging door onderneming A met een x bedrag was verhoogd. Ik voelde me heel rot, dat kan ik je vertellen. Ik vroeg me af of de andere families met wie ik in contact was gekomen dan ook meer hadden betaald. Ik weet het niet.

Bij een andere onderneming kwam ik er net zo toevallig achter dat het klopte. Hoe toevallig dat was? Een heel oude dame bleef maar volhouden dat ze mij niet had betaald…. Totdat ze de rekening erbij haalde en zag dat alles in orde was.  

 Een fout kan gemaakt worden, maar dan moet die worden opgelost. Naar aanleiding van een bepaalde situatie heb ik zelf contact opgenomen met het Keurmerk Uitvaartzorg omdat ik wilde weten hoe een rekening tot stand komt, of en zo ja, wanneer er behalve de aanneemsom sprake kan zijn van provisie. Het antwoord was: ‘Dat is een zaak tussen uitvaartverzorger en familie.’ Iemand zei: ‘Je krijgt er de vingers niet achter.’ Of het waar is? Ik hoop van niet.

 

 

Ervaringen, vragen en ideeën rond het levenseinde.